Leestijd ca. 4 minuten  |  Rating: 12+  |  Eerste publicatie 4 juli 2015

Zaterdagroutine

Ik sta al zestien jaar lang iedere zaterdag langs de lijn om de sportieve verrichtingen van mijn kinderen te volgen. Het maakt me niet uit hoe hard het regent, waait of sneeuwt, ik ben er altijd. Of ze nu thuis spelen of ergens op een afgelegen knollenveld in Sint Herejezusveen, ik sla geen wedstrijd over. De voetbalzaterdag is inmiddels een traditie die ik koester. Ik wil er eigenlijk niet aan denken, maar de dag waarop mijn jongens hun kicksen aan de wilgen hangen, is de dag waarop ik samen met mijn vrije zaterdagen in een kilometers diep zwart gat val. Ik heb het ieder jaar al moeilijk genoeg als die ellendige zomerstop aanbreekt en ik tien weekenden lang met heel mijn ziel en zaterdagen de uren aftel tot het half augustus is en het nieuwe voetbalseizoen van start gaat.
Vandaag is de vijfde voetballoze zaterdag op rij en dus ben ik niet op mijn best. Bij gebrek aan een zinvolle zaterdagbesteding heb ik me laten overhalen om mee te gaan naar Zaandam, op bezoek bij Rob en Anita (maar ze hadden net zo goed Henk en Ingrid kunnen heten), een stel veertigers dat hard op weg is naar de vijftig.
Anita is een oud buurmeisje van mijn vriendin, met de nadruk op ‘oud’, en laat dat ‘je’ in ‘buurmeisje’ maar weg, want het vervallen gebouw is bijna twee meter hoog. ‘De buurvrouw’ past eigenlijk beter bij haar, en bij mij (yep, die laatste is alleen voor de échte kenners). Door verhuizingen en andere uitdagingen van het leven zijn mijn vriendin en de buurvrouw elkaar twintig jaar geleden uit het oog verloren, maar dankzij Facebook hebben ze sinds een paar weken weer contact en dus ben ik de lul, want om dit heugelijke feit te vieren zijn we door Rob en Anita uitgenodigd voor een barbecuefeestje in de achtertuin van hun Leen Bakker-woning.
Ik zit op de steigerhouten loungebank, neem een slok van mijn biertje en scan aandachtig mijn omgeving. De tuin is zo opgesmukt dat ik me afvraag of ik niet per ongeluk in de showroom van een tuincentrum ben beland. In het midden van de tuin pronkt een kunststof vijvertje met een kitscherige fontein en overal waar ik kijk zie ik metalen vlinders, rieten harten met linten, windlichten en andere Xenos-rotzooi. Ik tel wel tien felgekleurde bijzettafeltjes met bijbehorende plantenbakken en aan iedere schutting hangen spiegels, plastic schilderijen en andere semihippe prullaria. Ik ken Rob en Anita niet, maar ik vermoed dat een van de twee aan alzheimer lijdt want op de poortdeur staat in grote houten letters het woord DOOR gespeld en aan de schuur hangt een bordje met de tekst SCHUUR. Als ik vanaf de rand van de vijver word aangestaard door een boos kijkende tuinboeddha vraag ik me weemoedig af wat er toch in godsnaam is gebeurd met al die goedlachse tuinkabouters van weleer. Nee, deze chaos heeft niets met de showroom van een tuincentrum te maken, maar alles met de opslagplaats van Malle Pietje.
‘Dit zijn mooie stukkies rundvlees,’ zegt Rob. Hij staat met gespreide benen en een ernstig gezicht achter zijn Weber onder een partytent van Blokker. Barbecueën is voor Rob duidelijk een zaak van leven of dood. ‘Allemaal precies anderhalve centimeter dik, mooie randjes vet, vier perfecte entrecotes, al zeg ik het zelf.’
‘Hoor hem dan, hij gooit een paar lappen vlees op dat ding en denkt ineens dat-ie kan koken,’ zegt Anita hoofdschuddend. ‘Sloof je toch niet zo uit, je laat water nog aanbranden.’
‘Klopt, maar ik kan wél barbecueën. Seks en barbecueën, de twee ware passies van de echte man.’
‘Ja, net als vreten, schijten, zuipen en op de bank in slaap vallen,’ vult Anita aan.
‘Ik zal voor jou zo een paar zure pruimen op het vuur gooien,’ antwoordt Rob. Het gaat lekker tussen die twee, maar ik kan mijn glimlach niet verbergen. Het gekibbel gaat nog zeker een minuut of twee door, waarna de barbecuekoning vol trots meldt dat hij het vlees officieel heeft goedgekeurd en dat we onze borden kunnen bijhouden. Misschien komt het doordat ik altijd trek krijg als ik de geur van een barbecue ruik, maar de entrecote is verrukkelijk.
‘En?’ vraagt Rob. Ik heb mijn mond vol, dus ik knik en steek mijn duim op. Rob is zichtbaar tevreden met mijn reactie. Hij lacht en neemt een slok van zijn bier terwijl hij met zijn pook het vuur opstookt en in besloten kring de gamba’s cremeert.
Anita zal wel gelijk hebben, maar Rob heeft niet gelogen, want hij kan echt goed barbecueën. De shaslicks met paprika en uien, zijn malse T-bonesteak en de pittige karbonaadjes, ze zijn allemaal even lekker. Net als ik hem wil complimenteren met zijn kookkunsten, produceert de Weber een blauwe deken van rook die razendsnel op ons neerdaalt en me laat hoesten als een gepensioneerde mijnwerker. De rookontwikkeling wordt steeds heviger en even lijkt het of er een Boeing 747 is neergestort in de achtertuin.
‘Geen paniek, niks aan de hand, gewoon een paar onwillige hamlappen,’ roept Rob geruststellend. Hij prikt met een grote barbecuevork het zwartgeblakerde vlees van het vuur en gooit het in een vuilniszak.
‘Neem dan ook gewoon een gasbarbecue, dan heb je veel minder rook- en stankoverlast,’ zegt Anita geïrriteerd terwijl ze haar betraande ogen droog veegt en ik de rook om haar hoofd zie verdwijnen.
‘Niet vloeken in de kerk, hè, schatje. Echte mannen barbecueën op échte houtskool. Gasbarbecues zijn voor homo’s,’ zegt Rob stellig, waarna mijn vriendin me grinnikend aankijkt. Shit, volgens Rob ben ik dus homo. Ik besluit zijn houtskoolfetisj te laten voor wat die is en vraag of er nog bier is.
‘Bier! Anita! Nu!’ beveelt Rob provocerend. Anita blijft gewoon zitten en toont haar man zonder op of om te kijken haar middelvinger terwijl ze onverstoorbaar met mijn vriendin verder keuvelt over vroeger. Die heeft vaker met dit bijltje gehakt, zo veel is zeker.
‘Koelkast?’ vraag ik terwijl ik Rob aankijk en naar de keukendeur wijs.
‘Onderste plank, die zijn het koudst. Heb je nog een plaats voor een hamburger?’
‘Nee dank je, ik ben oké.’
‘Een worstje dan misschien?’
‘Nee, echt niet. Ik zit helemaal vol. Misschien willen de dames nog iets.’
‘Ik niet, het was heel lekker, maar ik zit ook vol,’ zegt mijn vriendin.
‘Aan Anita hoeven we het niet te vragen, want die heeft al heel lang geen zin meer in worst,’ zegt Rob.
Way too much information. Ik zie Anita naar haar man kijken en als blikken konden doden lag hij nu op apegapen op zijn barbecue. Gezellig hier. Die Rob is naast een enorme hork ook een ontzettend klein mannetje. Hij is minstens anderhalve kop kleiner dan zijn vrouw, dus ik vrees dat ze hem een flink pak slaag gaat geven als we straks weg zijn. Wat is dat met die twee? Misschien zijn al die botte opmerkingen een vorm van compensatie voor zijn lengte, maar waarschijnlijk is het gewoon de schuld van de barbecue, die brengt immers de man in Rob naar boven.
Ik loop richting de keuken en hoor hard gefluit. Als ik omkijk zie ik Rob een leeg flesje bier omhooghouden. ‘Doe mij er ook nog maar een,’ schreeuwt hij. Ik stap de keuken in en open de koelkast. Als de deur van de koelkast het zicht naar de tuin blokkeert, wrijf ik in mijn ogen en laat mijn hoofd tegen de rand van de bovenste koelkastplank rusten. Wat een dag. Ik heb een koolmonoxidevergiftigingsaanval overleefd, ik heb een uur lang met plaatsvervangende schaamte het echtelijk cynisme van twee volslagen onbekenden moeten aanhoren, ik heb me onbeschoft volgevreten en mijn maag vertelt me inmiddels dat ik morgen aan de spuitpoep ben. Hier sta ik dan, op mijn vrije zaterdag met mijn hoofd in de koelkast van de barbecuekoning van Zaandam. Ik zucht, kijk op mijn horloge en zie dat het nog lang geen half augustus is.

<  terug  – Copyright | Alle rechten voorbehouden © 2017 – Jeroen Guliker / Credo Uitgevers