Leestijd ca. 2 minuten  |  Rating: 12+  |  Eerste publicatie 14 januari 2015

Stasi

Gisteravond rond halftwaalf liep ik met mijn honden het gebruikelijke rondje langs de kade. Het was droog, windstil en opvallend zacht voor een zondagavond in januari. Terwijl Tante Bep en haar schaduw rustig rondsnuffelden, rookte ik een sigaretje en wachtte ik aan de rand van het losloopgebied geduldig tot ze klaar waren.
Het was stil langs de kade. Doodstil. We waren de enige levende wezens over wie de vollemaan haar licht liet schijnen en dat is best bijzonder voor een man met twee honden in een middelgrote stad in Nederland. Helaas werd de unieke stilte al snel verbroken door een politieauto die met een slakkengang de kade op reed. Toen de surveillancewagen mij naderde, werd het gas losgelaten en keken twee nauwelijks uitgepuberde gezichten me vragend aan. Ik schatte dat ze bij elkaar opgeteld nog niet eens mijn leeftijd haalden.
Misschien zijn die arme kinderen de weg kwijt, dacht ik in al mijn onschuld, maar toen de bijrijder zijn raam langzaam liet zakken, bleek niets wat het leek.
‘Wat zijn we aan het doen?’ piepte de mond van de eerste melkmuil.
‘Pardon?’
‘Wat staan we hier te doen,’ herhaalde hij brutaal en ik zag de puisten op zijn kin meebewegen.
‘Hoezo?’ zei ik zo rustig mogelijk en ik vroeg me onbewust af waarom blauwe petten me altijd op dezelfde belerende en badinerende, bijna schofferende toon in meervoudsvorm menen te moeten aanspreken.
‘U gedraagt zich verdacht. Wat doet u hier om halftwaalf ’s nachts?’
Even sloeg de twijfel toe. Ik kon rustig blijven of een enorme woede-uitbarsting veinzen, maar eerlijk gezegd gunde ik die snotapen dat plezier niet. Ik koos dus in al mijn wijsheid voor de eerste optie, maar natuurlijk niet zonder een beetje humor.
‘U heeft gelijk. Jullie hebben me,’ zei ik schuchter terwijl ik de glimlach die bij mijn binnenpretje hoorde uit alle macht probeerde te onderdrukken.
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg de tweede melkmuil, die zich over zijn stuur in mijn richting boog.
‘Ik ben erbij. Ik beken. Ik ben vanavond op de gymp geweest, heb daarna tien kilo heroïne verhandeld en sta me hier nu mentaal voor te bereiden op mijn jihadreis naar het Kalifaat. Jullie hebben me, arresteer me maar,’ zei ik, waarna ik mijn handen ter overgave in de lucht stak.
‘Meneer, dit is een serieuze zaak. Als ik u iets vraag, dient u gewoon antwoord te geven,’ zei melkmuil twee.
‘Nee, natuurlijk, jullie hebben gelijk, dit is een bloedserieuze zaak,’ antwoordde ik zonder een spier te vertrekken. Op datzelfde moment zagen de gebroeders melkmuil Tante Bep en haar gevolg vanuit de struiken kwispelend op mij af rennen.
Melkmuil twee schudde zijn hoofd. ‘Waarom zegt u niet gewoon dat u uw honden aan het uitlaten bent?’
‘Waarom spreken jullie mij niet gewoon op een normale manier aan?’ pareerde ik. ‘Hoezo gedraag ik me verdacht? Voor wie denk je dat je werkt? De Stasi?’
‘Euh, de wat?’ klonk het gelijkstemmig. Ik glimlachte, liet mijn armen zakken en zuchtte.
‘Ach ja, na de mavo direct door naar de politieschool, dan krijg je dit.’
‘Hoe bedoelt u?’ herhaalden de pubers in koor.
‘Niets, heren. Ik wens u nog een fijne avond. Kom Tante Bep, we gaan maar eens op huis aan, voordat ’t baasje doorslaat in hooghartigheid.’

<  terug  – Copyright | Alle rechten voorbehouden © 2017 – Jeroen Guliker / Credo Uitgevers