Leestijd ca. 5 minuten  |  Rating: 12+  |  Eerste publicatie 14 september 2015

Martelgang

Het begint al bij het parkeren. Aan de overkant van de drukke straat is een vrije plek, maar als ik mijn auto heb gedraaid, staat er ineens een overjarige Volvo stationwagen op mijn plaats. Als het me zeven rondjes later eindelijk lukt om mijn auto kwijt te raken, loop ik naar de rij met winkelwagentjes en ontdek dat ik niet het juiste kleingeld op zak heb.
Met in mijn hand twee muntstukken van twintig en eentje van tien cent sta ik als een landloper om een muntje van vijftig cent te bedelen. Ik hoor vooral ‘Nee,’ ’Sorry,’ en ‘Helaas,’ zie heel veel schuddende hoofden en maak kennis met de grappenmakers van de buurt (‘Ik ben geen wisselkantoor’) alvorens een make-uploze schoolpleinmoeder mij uit mijn lijden verlost. Nadat ik met pijn en moeite een wagentje uit de rij heb getrokken, merk ik dat de wieltjes van mijn exemplaar een flinke afwijking naar rechts hebben, waardoor ik schuin achter het karretje moet lopen om bij te sturen. Bij de ingang van de supermarkt struikel ik over een complete familie panfluitende Peruanen en voel ik me schuldig als ik de vriendelijk groetende daklozenkrantverkoper stoïcijns voorbijloop.
In het voorportaal van de supermarkt wurm ik me door een klas klierende scholieren die de antidiefstalmedewerker het bloed onder de nagels vandaan staan te halen terwijl ze ongeduldig wachten tot ze in groepjes van vier naar binnen mogen. Als ik het wagentje tegen het poortje met de blauwe pijl duw, vermoed ik dat de boodschappen vandaag gratis zijn. Dat wordt weer filerijden.
Op de groente- en fruitafdeling wacht ik op mijn beurt om de bananen af te wegen. Vooraan bij de weegschaal zie ik een bejaarde vrouw met één tomaat in een plastic zakje. Ze staat op haar dooie gemak uit te vinden hoe de machine werkt en slaagt erin de rij met wachtenden in no time te verdubbelen. Achter me staat haar tweelingzus lekker dicht tegen me aan omdat ze denkt dat het dan sneller gaat. Als ik eindelijk mijn bananen van een prijssticker heb voorzien, stuur ik mijn karretje de file weer in en wacht geduldig tot de koeling met zuivelproducten voorbijkomt.
Onderweg zie ik de dagjesmensen bij het koffieapparaat staan. Het zijn altijd dezelfde types. Hij heeft meestal aan de gesp van zijn broek een sleutelhanger bungelen, waar vaak een bonuskaart aan hangt en zij is doorgaans hoogblond, draagt in de regel een tijgerlegging en zou best een kilootje of honderdtwintig kwijt mogen raken. ‘Kom, we gaan gezellig een gratis bakkie koffie halen in de supermarkt.’ Wat bezielt die mensen? Get a life!
Als de file hortend en stotend de zuivelafdeling bereikt, hoor ik getoeter en kan ik net op tijd wegspringen voor een gekleurspoelde oma die vindt dat iedereen voor haar opzij moet gaan omdat ze in een scootmobiel zit. Zwaar geïrriteerd sla ik af en zoek op de kaasplank naar het meest verse exemplaar jong belegen. Nadat ik me in duizend bochten heb gewrongen om de verpakking met de ruimste houdbaarheidsdatum achter uit het schap te halen, draai ik me om en zie de volgende bejaarde met haar rollator mijn karretje wegduwen. Ik schud mijn hoofd, zeg niets maar mik – als Michael Jordan in zijn beste dagen – de jong belegen kaas vanaf een meter of vier mijn karretje in. Three points!
Ik vervolg mijn lijdensweg, verzamel de rest van mijn boodschappen en zie voor het schap met de pastaproducten een groepje veel te drukke huisvrouwen een gezellig bijkletsuurtje houden. Ik begrijp dat dit hun domein is, hun buurthuis, maar moet dat theekransje echt per se in het midden van het gangpad? Ik slalom langs de dames, ontwijk een paar onbemande wagentjes die door onverlaten midden in het smalle gangpad zijn gedropt, en als ik aan het eind van het pad afsla naar rechts word ik aangereden door twee vakkenvullers die zichtbaar verveeld drie volgestouwde rolkratten voortduwen. Geen excuus of sorry meneer, sterker nog, de pubertjes kijken niet op of om. Waarom denken die puistenkoppen altijd dat ze voorrang hebben? Omdat ze aan het werk zijn? Wat is er in godsnaam gebeurd met die koning en die klant? Welkom in het hedendaagse en lang leve het gebrek aan manieren en fatsoen.
Ik duw mijn wagentje naar de snoep en koek, groet een vage bekende die ik eigenlijk liever vermijd en erger me aan een stel jengelende kleuters die met lege sleepmandjes rondrennen alsof ze Fikkie van de buren aan het uitlaten zijn. Hun moeder vindt het blijkbaar normaal, want ze parkeert zwijgend haar winkelwagentje tegen mijn achilleshiel terwijl ze op aanwijzing van haar krijsende kroost het karretje tot de nok toe volpropt met zo veel zoete rotzooi dat de tandarts van het gezin zich voorlopig geen financiële zorgen hoeft te maken.
Drie paden verderop, voor het schap met de deodorant, tart een hevig – hoe ironisch – zwetende medeklant mijn reukorgaan. Ik zie dat mijn merk er niet bij staat en vraag aan een supermarktmedewerker of hij het product wellicht achter nog op voorraad heeft. De man haalt zijn schouders op, zegt dat hij van de broodafdeling is en roept dat ik het maar aan iemand anders moet vragen. En bedankt. Dan maar stinken de komende week.
In het allerlaatste gangpad kom ik erachter dat de wasmiddelen niet meer staan waar ze volgens de volgorde van mijn boodschappenlijstje horen te staan. Ik ga alsnog op zoek naar een capabele medewerker, die me vertelt dat de wasmiddelen zijn verplaatst naar een gangpad aan de andere kant van de supermarkt. In de wetenschap dat ik echt niet zonder wasmiddelen kan thuiskomen, duw ik mijn karretje weer de file in en vervloek al die hemeltergende televisiereclames die me vertellen hoe leuk, klantvriendelijk en gemakkelijk het is om boodschappen te doen. Ik haat die uitgestreken kop van de AH-meneer, net als dat veel te bijdehante modelgezin van Michiel de Ruyter en die hardnekkige vetvlek op mijn beeldbuis, yep, ik bedoel die (maatje) PLUS-trol. Als ik eindelijk de wasmiddelen heb gevonden en op weg ben naar de uitgang heeft mijn ergernis inmiddels het kookpunt bereikt. Ook deze week zal ik er weer overheen gaan, want het ergste moet nog komen – inderdaad, het kassaritueel.
Ik heb slechte ervaringen met supermarktkassa’s. Een tijdje geleden had ik al mijn boodschappen op de band staan toen bleek dat ik bij de verkeerde kassa stond. Kassa 4 bleek een ‘alleen pinpas’-kassa te zijn en dat had ik kunnen weten want er hing een levensgroot boord boven de caissière. Toen ik haar vertelde dat ik alleen contant geld bij me had, was ze onverbiddelijk en kon ik alles weer inpakken en achter in de rij van kassa 5 aansluiten, waar ik erachter kwam dat ik vergeten was mijn lege flessen in te leveren, zodat ik weer helemaal naar de andere kant van de supermarkt kon lopen.
Vorige week wilde ik de galante jongen uithangen en was ik zo dom om een oudere mevrouw in een rolstoel voor te laten gaan. Ze had slechts twee artikelen, maar helaas was ze vergeten haar groente af te wegen en dus moest er iemand gebeld worden, die pas na twee minuten bij de kassa verscheen. Toen alles eindelijk geregeld was en ze moest afrekenen, duurde het ruim een minuut voordat ze haar portemonnee gevonden had.
‘Hoeveel was het ook alweer, zei u?’
‘Zeven euro en twintig cent, mevrouw.’
‘Zo veel? Het wordt ook met de dag duurder.’
Ik ontplofte bijna toen ze op zijn elfendertigste haar portemonnee begon uit te pluizen en muntje voor muntje haar kleingeld op de band uitstalde, waarna ze ontdekte dat ze niet verder kwam dan zeven euro. Ik vreesde voor een uren durend pinpasdrama en dus gaf ik de caissière de ontbrekende twintig cent. Zonder bedankje of me ook maar een blik waardig te keuren rolde ze zichzelf naar de uitgang. ‘Graag gedaan, hoor!’ riep ik het krakende kadaver nog na.
Natuurlijk staan er ook vandaag weer lange rijen voor de kassa’s en om een of andere onverklaarbare reden lukt het me altijd om de verkeerde te kiezen. Ik moet vandaag de juiste strategie hanteren en dus mijd ik de ‘alleen pinpas’-kassa’s, tel ik waar de minste bejaarden staan en kies ik uiteindelijk voor de rij van een chagrijnig kijkende en kauwgom kauwende caissière die volgens mij de vaart er aardig in heeft zitten. Voor me staat een man die zijn nog niet afgerekende zak chips vast leegeet en achter me hoor ik een vrouw amechtig zuchten en steunen. Ze trommelt met haar nagels op haar winkelwagentje, tikt met haar hak op de grond en kijkt om de tien seconden boos op haar horloge. Het wachten wordt haar duidelijk allemaal te veel. Amateur!
Een klein kwartier later is het leed geleden en loop ik met mijn karretje naar de uitgang, die wordt geblokkeerd door een roedel om voetbalplaatjes en moestuintjes smekende kinderen. Als ook deze laatste horde genomen is en ik de zware boodschappentassen mijn auto in til, verdraai ik nog snel even mijn rug, maar ben ik blij dat ik de wekelijkse martelgang weer heb overleefd.
Ik hou altijd de hoop dat een van mijn volgende boeken nog eens de bestsellerlijsten zal bestormen. Niet om het succes en eigenlijk ook niet om het geld, want ik geef niets om grote huizen, dure auto’s of dikke bankrekeningen. Toch zou een klein beetje meer verdomd makkelijk zijn, al was het maar omdat ik dan wél iemand kon inhuren die mijn boodschappen deed.

<  terug  – Copyright | Alle rechten voorbehouden © 2017 – Jeroen Guliker / Credo Uitgevers