Leestijd ca. 3 minuten  |  Rating: 12+  |  Eerste publicatie 12 maart 2017

Autopraat

Mannen en auto’s zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Kennis over automerken, modellen of de techniek die zich onder de motorkap schuilhoudt, schijnt de mannelijkheid te bevestigen. Ik heb geen idee waarom, maar blijkbaar is dat hormonaal zo bepaald. Als autopraat een zelfstandig naamwoord zou zijn, zou het Groene Boekje er direct de letter (m) achter plaatsen. Mijn testosterongehalte is altijd prima op orde geweest, maar ik heb nooit iets gehad met al dat gelul over auto’s en motoren. Waarschijnlijk wordt mijn desinteresse gevoed door een serieus gebrek aan kennis en dat is best wel eens lastig geweest.
Als tiener was ik zelfs een buitenbeentje. Mijn vriendjes waren altijd met auto’s en motoren bezig. Ik had een bloedhekel aan al die gesprekken over ik weet niet hoeveel pk’s en nog veel meer cc’s. Hun slaapkamers waren behangen met posters van glimmende Harley-Davidsons, supersnelle Kawasaki’s en felrode Ferrari’s. De overvloedige aanmaak van puberaal testosteron vulde hun dromen met beelden van hoe ze al dat moois aan de muur ooit in de echte wereld zouden berijden. Ik had dezelfde droom, alleen hing boven mijn bed een levensgroot portret van Agneta van Abba en op de kastdeur prijkte een affiche van de plaatselijke ijsbaan. Ach ja, puberende jongetjes en hun ontluikende mannelijkheid, het is en blijft een aandoenlijk verschijnsel. Een carrière als schaatser is er nooit gekomen, maar een mooie blonde vrouw is volgens mij aardig gelukt.
Toen we de brommerleeftijd bereikten, werd het verschil met mijn vrienden ook voor de buitenwereld zichtbaar. Ik pufte dagelijks in een slakkengangetje op mijn lichtelijk verwijfde Puch Maxi richting school terwijl ik links en rechts werd ingehaald door mijn vrienden op hun opgevoerde Zundapps en Kreidlers. Het leek wel of ik stilstond. Uiteraard deden mijn vrienden het onderhoud zelf en dus werden de brommers maandelijks uit elkaar gehaald om ze in een andere kleur te spuiten of te voorzien van een nóg snellere uitlaat. Mijn vrienden deden niet onder voor professionele monteurs, een beroep waar sommigen uiteindelijk ook daadwerkelijk voor zouden kiezen.
Dat Rob ooit monteur zou worden, kwam voor niemand als een verrassing. Hij was de absolute brommernerd. Nadat hij zijn Zundapp tot het laatste boutje uit elkaar had gesleuteld, kon hij dat ding geblinddoekt weer in elkaar zetten. Mijn vrienden vonden Rob en zijn kunstje fantastisch. Ze konden soms tot vervelens toe in een kring om hem heen blijven staan terwijl ze hem aanmoedigden en aanwijzingen gaven. Ik begreep niets van al dat technische gelul over betere bougies of uitgefreesde spruitstukken en dus stond ik er meestal wat verlaten bij. Ik vond het eigenlijk best een zielige vertoning, maar ik hield mijn kaken stijf op elkaar. Ik had ook toen al last van een enorm grote bek, maar door schade en schande wijs geworden wist ik dat ik maar beter geen bijdehante opmerkingen kon maken. Ze zouden ongenadig worden afgestraft, dat was me immers al eens eerder overkomen. Op een even zwak als onbewaakt moment had ik me behoorlijk bij m’n ballen laten nemen. In een poging ook eens iets interessants te zeggen had ik een nogal domme opmerking gemaakt over de carburateur van mijn brommer. Na de nodige lachsalvo’s van mijn vrienden besloten ze mijn onwetendheid te gelde te maken en dus werd ik naar de fietsenmaker gestuurd voor een doosje bougievonkjes en een grote bus tussengas. Ja, wist ik veel!
Toen de dienstplicht riep werd de inefficiëntie van de Nederlandse krijgsmacht weer eens pijnlijk duidelijk. Ik werd naar Blerick in Noord-Limburg gestuurd. Inderdaad, de chauffeursopleiding met, je raadt het al, iedere ochtend drie uur lang les in autotechniek. Al dat zinloze gesleutel aan Land Rovers (laro’s voor ingewijden) en vooroorlogse eentonners kwam me al snel de neus uit. Ik ben er geen steek(sleutel) wijzer van geworden en heb me zes weken lang de pleuris verveeld. Het enige dat ik heb geleerd is dat het militaire materieel net als het personeel destijds in dezelfde deplorabele staat verkeerde als de motivatie waarmee ik iedere ochtend op appèl verscheen.
Ik heb inmiddels ruim dertig jaar mijn rijbewijs en ik heb in die tijd behoorlijk wat auto’s versleten. Mooie en lelijke, grote en kleine, dure en goedkope, zolang ze me van A naar B brachten en ik er verder geen omkijken naar had, vond ik het allemaal prima. Aan het gelul over auto’s en motoren heb ik al die jaren dezelfde hekel gehad. Of het nu ome Tinus was die op een verjaardag weer eens begon over zijn nieuwe BMW, neef Henk die midden in het gangpad van de supermarkt tot in detail vertelde hoe hij de motor van zijn Jeep Cherokee eigenhandig had gereviseerd of buurman Arie die weer eens ongevraagd langskwam met een update over het geldverslindende Formule 1 circus, ik heb en had nog steeds niets met auto’s en dus kon het me allemaal compleet gestolen worden, dat wil zeggen, tot vorig jaar.
Arie had me overgehaald om op een regenachtige zondagmiddag bij hem op de bank Formule 1 te komen kijken. Er was namelijk iets aan de hand. Er kondigde zich een sensatie aan. Een Nederlandse sensatie. Als het om sport gaat, ben ik nogal chauvinistisch ingesteld en dus was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Volgens de buurman was het niet normaal wat dat achttienjarige lefgozertje allemaal uithaalde in zijn (toen nog) Torro Rosso bolide. Met Arie’s enthousiasme en uitleg van de spelregels duurde het welgeteld tien rondjes voordat ik om was en de adrenaline door mijn lichaam voelde gieren. Of was het testosteron? Of toch gewoon ouderwets chauvinisme?
Hoe het Max het afgelopen jaar verging, weten we natuurlijk allemaal. En ik? Ik ben ineens fan van de Formule 1. Ik heb nog net geen poster van een snelle Red Bull boven mijn bed hangen, maar ik mis geen enkele race. Ik kijk zelfs naar de voor- en nabeschouwingen en geloof het of niet, ik begrijp precies waar ze het over hebben. Ik vind de technische autopraat van die commentatoren zelfs interessant. De circuitdetails, bandenstrategieën, de aërodynamica van de auto’s, ik draai inmiddels nergens mijn hand nog voor om en kan niet wachten tot de Formule 1 karavaan op 26 maart aanstaande weer van start gaat. Mijn brommervrienden kunnen trots op me zijn. Met terugwerkende kracht.

<  terug  – Copyright | Alle rechten voorbehouden © 2017 – Jeroen Guliker / Credo Uitgevers